SIKB-Homepage / FAQ / FAQ Archeologie
Juridische helpdesk archeologie

Link  naar de Syllabus Juridisch kader archeologie

 

Vraag 1: welke juridische aspecten zijn er met betrekking tot het verbieden  van (laser)metaaldetectors?

Antwoord:

Wanneer het gebruik van metaaldetectoren leidt tot verstoringen van de bodem en daardoor mogelijke schade aan het archeologisch erfgoed zijn er juridisch gezien  mogelijkheden om dit aan te pakken. Als er gericht wordt gegraven naar monumenten die er vermoedelijk in de bodem zitten (na signaal van metaaldetector) is er namelijk sprake van een opgraving (doel is opsporen monumenten en er vindt bodemverstoring plaats). Het doen van opgravingen zonder vergunning is verboden (artikel 45 Monumentenwet). Aangezien de minister (RACM) de opgravingsvergunningen verleent is het waarschijnlijk ook de minister die bevoegd is tot bestuursrechterlijke handhaving. De gemeente zelf heeft die mogelijkheid dus niet. Het is echter ook een strafbaar feit op grond van artikel 61 van de Monumentenwet. De politie kan hiervoor derhalve proces-verbaal opmaken. De maximale straf is een jaar gevangenisstraf. De gemeente zou met politie en Justitie afspraken kunnen maken over de opsporing en vervolging van de opgravers/schatzoekers.

Een andere juridische mogelijkheid biedt artikel 54: degene die met de metaaldetector waarnemingen doet die van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg moet dat melden bij de minister van OCW (RACM). Ook hier staat de gemeente derhalve niet aan de lat. Het overtreden van dit artikel is bovendien niet strafbaar gesteld zodat de politie hier strafrechtelijk niet tegen kan optreden.

Een derde mogelijkheid is dat de gemeente zelf een nieuw bestemmingsplan vaststelt en aan de betreffende locaties de dubbelbestemming ter bescherming en veiligstelling van archeologische monumenten geeft. In datzelfde bestemmingsplan kan de gemeente dan ook een aanlegvergunningenstelsel opnemen op grond waarvan het wordt verboden om werkzaamheden op deze locaties te verrichten zonder (aanleg)vergunning van BenW. De schatzoekers die vervolgens op deze locaties willen graven hebben daarvoor een aanlegvergunning nodig. Als ze zonder vergunning aan de slag gaan handelen ze in strijd met het bestemmingsplan en kan de gemeente zelf daar tegen optreden.

Of deze juridische mogelijkheden echter ook benut kunnen worden valt te betwijfelen. Dat vergt namelijk continu surveillerende agenten of toezichthouders op de locaties en daar zal waarschijnlijk geen capaciteit voor zijn. Wat de gemeente wel kan doen is burgers erop wijzen dat deze activiteiten verboden zijn en dat zware bestraffing mogelijk is (jaar gevangenisstraf). Wellicht is dat voldoende afschrikwekkend.

Vraag 2: als de gemeente een onderzoeksverplichting heeft opgelegd aan de verstoorder van de bodem (bijvoorbeeld de aanvrager van een ontheffing van het bestemmingsplan of een bouwvergunning), moet dan het hele plangebied waarop de aanvraag betrekking heeft onderzocht worden?

Antwoord:

In beginsel vindt onderzoek plaats op die gedeelten van het terrein die verstoord worden (zie artikel 39, tweede lid). Proefsleuvenonderzoek blijft dus bijvoorbeeld beperkt tot dat deel van het plangebied waar een huis wordt gebouwd. Om te voorkomen dat in de toekomst op andere gedeelten van het plangebied wordt gebouwd ten aanzien waarvan geen archeologische voorschriften kunnen worden gesteld (vegunningvrije of lichtvergunningplichtige bouwwerken), zou in het (postzegel)bestemmingsplan voor die andere gedeelten een absoluut bouwverbod kunnen worden opgenomen.

Op het principe dat het onderzoek wordt beperkt tot de te verstoren delen van het terrein kan worden afgeweken indien dat nodig is om een betere archeologische afweging te maken. Deze afweging zou er dus toe kunnen leiden dat het beter is om het hele plangebied te onderzoeken. Uiteindelijk is het echter de gemeente die hierover een beslissing neemt. In artikel 39, tweede lid van de Monumentenwet is immers bepaald dat de archeologische waarde naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate moet zijn vastgesteld. Dus bij verschil van inzicht is het de gemeente die de knoop doorhakt.

Vraag 3: kan de gemeente afwijken van de wettelijke vrijstellingsgrens van 100m2 wanneer de provincie het daar niet mee eens is?

Antwoord:

Het vaststellen van een bestemmingsplan met een afwijkende vrijstellingsgrens is een gemeentelijke bevoegdheid (artikel 41a Monumentenwet). De provincie kan zijn zienswijze geven op het ontwerp bestemmingsplan maar de gemeente hoeft deze zienswijze niet te volgen. De gemeente kan er dus (gemotiveerd) van afwijken.

Vraag 4: kunnen aan sloopvergunningen voorschriften worden verbonden in het belang van de archeologische monumentenzorg?

Antwoord:

Uit artikel 37 van de Monumentenwet vloeit voort dat alleen aan sloopvergunningen die betrekking hebben op bouwwerken in beschermende stads- of dorpsgezichten archeologische voorschriften kunnen worden gekoppeld. En alleen van de aanvrager van zo'n vergunning kan een archeologisch rapport worden verlangd.

Buiten beschermde stads- of dorpsgezichten kunnen dus geen voorschriften in het belang van de archeologie worden gekoppeld aan sloopvergunningen en kan van de aanvrager van zo'n vergunning geen archeologisch rapport worden gevraagd. Ook kunnen gemeenten niet in een bestemmingsplannen regelen dat een aanvrager van een sloopvergunning een archeologisch rapport moet overleggen. Idem voor het verbinden van voorschriften aan zodanige vergunningen.

In situaties waarbij na de sloop wordt gebouwd zou een archeologisch rapport wel van de aanvrager van de bouwvergunning kunnen worden verlangd. Ook zouden aan de bouwvergunning archeologische voorschriften kunnen worden verbonden. Deze mogelijkheden bestaan echter alleen wanneer dat in het bestemmingsplan is geregeld. Als een gemeente niet in het bestemmingsplan heeft geregeld dat de aanvrager van een bouwvergunning een onderzoeksrapport moet overleggen en dat aan zo’n vergunning archeologische voorschriften kunnen worden verbonden dan kan dat alleen bij ontheffingen van het bestemmingsplan of projectbesluiten.

Vraag 5: wie wordt eigenaar van de zaken die tijdens opgravingen worden gevonden?

Antwoord:

In artikel 50 van de Monumentenwet is bepaald wie eigenaar wordt van de roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen. Dat is in principe de provincie waar zij zijn gevonden. Wanneer de gemeente echter een eigen depot heeft, wordt de gemeente eigenaar.

Artikel 50 Monumentenwet is een bijzondere regeling die voor gaat op de algemene regeling in artikel 13 van boek 5 van het Burgerlijk wetboek. Als er nog iemand is die zijn eigendom van de roerende monumenten kan bewijzen dan wordt deze eigenaar. De woorden ‘en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen’ hebben dus betrekking op de eigenaar van de monumenten en niet op de eigenaar van de grond waarin die monumenten zijn gevonden. Zie ook artikel 13 van boek 5 van het BW waarin wordt gesproken van een zaak van waarde die zolang verborgen is geweest dat daardoor de eigenaar niet meer kan worden opgespoord.

Als het gaat om toevalsvondsten (dus geen vondsten bij opgravingen) dan verkrijgen de vinder en de eigenaar van de grond de gezamenlijke eigendom. Dat vloeit voort uit artikel 13 van boek 5 van het BW.

FAQ Archeologie

Wat is Erkennen van Verworven Competenties (EVC)?
Klik hier voor de betreffende notitie.

Wat moet ik als gemeente doen als een projectontwikkelaar het niet eens is met het programma van eisen en een second opinion vraagt?

 

Uitgangspunt van de wet is dat het bevoegd gezag (burgemeester en wethouders) het oordeel vellen over uitgevoerd en nog uit te voeren archeologisch onderzoek en opgravingen. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in artikel 38 van de Monumentenwet 1988 waarin is bepaald dat bij verordening kan worden geregeld dat b en w eisen kunnen stellen aan onderzoek in het kader van opgravingen. En op grond van artikel 39, tweede lid, 40, eerste lid en 41, eerste lid van de Monumentenwet 1988 dienen b en w te bepalen of de archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord met een onderzoeksrapport in voldoende mate is vastgesteld.

Een gemeente kan een projectontwikkelaar dus gerust toestaan dat hij een second opinion vraagt. Uiteindelijk is het echter de gemeente die een oordeel velt over het onderzoeksrapport en het (alternatieve) programma van eisen dat in opdracht van de projectontwikkelaar is opgesteld.

 

Hoe stel ik een programma van eisen op?

 

Conform protocol 4001 dient een programma van eisen opgesteld te worden door een senior KNA-archeoloog. Dit geschiedt aan de hand van het in dit protocol beschreven proces. Belangrijke onderdelen zijn: het uitvoeren van bureauonderzoek, formuleren van vraagstellingen (wat moet er worden onderzocht en hoe?) en het bepalen van randvoorwaarden en eisen. Het programma van eisen wordt vastgesteld door het bevoegd gezag.

 

 

Wat is een selectiebesluit en wat is de juridische status?

 

De term “selectiebesluit” komt in de wet- en regelgeving niet voor.

Feitelijk is het een besluit van het bevoegd gezag naar aanleiding van een ingediend archeologisch rapport en bijbehorende selectieadvies. Dit besluit kan inhouden dat:

- bij de voorgenomen werkzaamheden geen rekening hoeft te worden gehouden met archeologische waarden (bijvoorbeeld omdat deze er simpelweg niet zijn);

- het voorgenomen werk niet mag worden uitgevoerd (de vergunning voor de werkzaamheden wordt geweigerd);

- het uitvoeren van de werkzaamheden alleen mag plaatsvinden wanneer de uitvoerders zich houden aan bepaalde verplichtingen; deze verplichtingen worden dan opgenomen in voorschriften die aan de vergunning of ontheffing worden verboden.

Een selectiebesluit heeft alleen juridische betekenis wanneer het is genomen op grond van een wettelijke bevoegdheid, zoals de bevoegdheid om aan een vergunning voorschriften te verbinden of om een vergunning te verlenen of te weigeren.

 

Hoe leg ik archeologische voorschriften vast in een bestemmingsplan (modelvoorschriften)?

 

In de Monumentenwet 1988 is aangegeven welke instrumenten geregeld kunnen worden in het bestemmingsplan. Van de aanvrager om een aanleg- of bouwvergunning kan bijvoorbeeld een archeologisch rapport worden verlangd. En aan dergelijke vergunningen kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van archeologische waarden. Hier zijn modelvoorschriften weergegeven die een gemeente kan opnemen in zijn bestemmingsplan(nen).

 

Moet een vergunning- / ontheffinghouder altijd opdraaien voor de kosten van (nader) archeologisch onderzoek of een opgraving?

 

De wet is gebaseerd op het principe dat de verstoorder betaalt. Indien een vergunning of ontheffing echter ongeclausuleerd is verleend kan de houder daarvan later niet aansprakelijk worden gesteld indien zich de situatie voordoet dat tijdens de door hem ondernomen (toegestane) activiteiten een archeologisch monument wordt gevonden. Dat zou namelijk strijdig zijn met het rechtszekerheidsbeginsel: de vergunning/ontheffinghouder mag erop vertrouwen dat hij de bodem zonder verdere verplichtingen mag verstoren. Als een gemeente de verstoorder wel wil laten opdraaien voor de kosten zal de gemeente tijdens de vergunningverlening zeer zorgvuldig moeten zijn: goede eisen stellen aan het archeologisch onderzoek en de juiste voorschriften verbinden aan de vergunning.

 

Wie draait op voor de kosten van archeologisch onderzoek en opgravingen bij toevalsvondsten?

 

Dat is wettelijk niet geregeld. Betrokken partijen (rijk, gemeente, vinder) zullen daar derhalve in goed onderling overleg uit moeten komen. Het principe dat de verstoorder betaald is hier niet van toepassing.

 

Mag een gemeente om niet-archeologische redenen afzien van het opleggen van een onderzoeksverplichting?

 

Dat hangt af van wat daarover is geregeld in het bestemmingsplan. Als in het bestemmingsplan voor bepaalde situaties onderzoek verplicht is gesteld en daar geen uitzonderingen voor zijn opgenomen, dan is het niet mogelijk om in individuele gevallen daarvan af te wijken.

 

Archeologie voor opdrachtgevers

Inleiding
Als initiatiefnemer kunt u op verschillende manieren in aanraking komen met archeologie. De gemeente kan van u verlangen dat u, voordat u met uw werkzaamheden start, eerst archeologisch onderzoek uitvoert. Wellicht dat de gemeente aan uw bouwvergunning voorschriften verbindt ter bescherming van archeologische waarden. In het meest vergaande geval kan de gemeente zelfs eisen dat u de aanwezige archeologische monumenten moet opgraven voordat u uw bouwactiviteiten kunt voortzetten.

Dit kan verschillende vragen oproepen:

- Kan de gemeente mij wel dergelijke verplichtingen opleggen?

- Draai ik ook op voor de kosten?

- Welke bureaus kan ik inschakelen voor archeologisch onderzoek en het verrichten van opgravingen?

Deze vragen komen aan de orde in deze factsheet. Doel is om u bij deze eerste vragen op weg te helpen. Aan deze factsheet kunnen geen rechten worden ontleend.

Bevoegdheden gemeente
Op grond van de Monumentenwet 1988 heeft het gemeentebestuur verschillende mogelijkheden om archeologische waarden te beschermen. Wanneer de gemeente van deze mogelijkheden gebruik maakt heeft dat consequenties voor projectontwikkelaars en andere bedrijven die bouw en andere werkzaamheden willen verrichten.

Archeologisch onderzoek
Van de aanvrager van een ontheffing (van het bestemmingsplan) of een projectbesluit kunnen burgemeester en wethouders een archeologisch onderzoek verlangen. De gemeente zal dan wel moeten motiveren waarom dit onderzoek nodig is in het kader van de aanvraag. Het zou kunnen zijn dat er een (grote) verwachting is dat zich in de bodem archeologische monumenten bevinden, bijvoorbeeld blijkend uit een gemeentelijke archeologische waardenkaart. In dergelijke gevallen heeft de gemeente een goed argument om van u een archeologisch onderzoek te verlangen.

Ook wanneer u een aanvraag om een aanleg- of een bouwvergunning heeft ingediend kan de gemeente een archeologisch onderzoek verlangen. Dat is echter alleen mogelijk indien dat in het betreffende bestemmingsplan is geregeld. Bovendien geldt ook hier dat de gemeente het verzoek moet motiveren.

Aanlegvergunning verplicht
Een gemeente kan in het bestemmingsplan hebben geregeld dat bepaalde werken of werkzaamheden alleen mogen worden uitgevoerd met een aanlegvergunning.

De aanlegvergunning zorgt ervoor dat een terrein met archeologische waarden wordt beschermd. Bij “werken” gaat het niet om bouwwerken. Voor bouwwerken is namelijk al een reguliere bouwvergunning vereist. Bij werken kun je denken aan grondbewerkingen, heiwerkzaamheden, verhogen of verlagen van het waterpeil, aanleggen of rooien van bossen, aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van diepwortelende beplantingen. In het bestemmingsplan zal expliciet moeten zijn aangegeven voor welke werken de aanlegvergunning verplicht is.

Voorschriften te verbinden aan een vergunning, ontheffing of projectbesluit
In een bestemmingsplan kan een gemeente ook regelen dat aan reguliere bouwvergunningen en aanlegvergunningen voorschriften kunnen worden verbonden ter bescherming van archeologische waarden. Voor ontheffingen en projectbesluiten hoeft dat niet in het bestemmingsplan te zijn geregeld en kunnen gemeenten dat sowieso al.

De volgende voorschriften kunnen aan een vergunning, ontheffing of projectbesluit worden verbonden:

a. de verplichting om technische maatregelen te treffen waarmee monumenten in de bodem worden behouden;

b. de verplichting om opgravingen te doen;

c. de verplichting om de bodemverstorende activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg en die voldoet aan de kwalificaties die door burgemeester en wethouders in de vergunning zijn gesteld.

Kosten
De kosten die voortvloeien uit het doen van archeologisch onderzoek en de naleving van de vergunning/ontheffingvoorschriften zijn voor rekening van de vergunning/ontheffinghouder. Dat is een uitvloeisel van het principe in de Monumentenwet dat de verstoorder betaalt. In sommige gevallen hoeven de kosten echter niet volledig voor rekening van de vergunning/ontheffinghouder te blijven. Volgens de wet kan schade die redelijkerwijs niet of niet geheel te laste behoort te blijven van de aanvrager of vergunninghouder op verzoek vergoed worden door burgemeester en wethouders. Bij schade die voor vergoeding in aanmerking komt heeft de wetgever vooral gedacht aan excessieve kosten als gevolg van opgravingen. Of dergelijke kosten als excessief moeten worden gekwalificeerd, is sterk afhankelijk van het financiële belang van de aanvrager, diens draagkracht, de mogelijkheden om naar een andere locatie om te zien etc.

Welk bureau kan ik inschakelen?
Degene, die opdracht geeft tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek of archeologische opgravingen, loopt tegen de volgende vragen aan:

- Welk bureau kan ik inschakelen voor onderzoek en/of opgravingen?

- Welke eisen kan ik stellen?

- Hoe vraag en beoordeel ik offertes?

- Hoe draag ik zorg voor het bewaken van de kosten?

- Op welke wijze controleer ik de uitvoering en toets ik de eindrapportage?

De antwoorden op deze vragen kunt u vinden in de verschillende handreikingen en brochures van SIKB die u van de website kunt downloaden (www.sikb.nl – onderdeel Archeologie – Handreikingen overheid en opdrachtgever).

Hierna wordt alleen dieper ingegaan op de eerste vraag: welk bureau kan ik inschakelen? Of te wel: wat moet ik als opdrachtgever weten over archeologische bureaus?

Opdrachtnemer moet voor bepaalde activiteiten een vergunning hebben
Voor de opdrachtgever is het van belang om te weten dat voor bepaalde activiteiten een archeologisch bureau een opgravingsvergunning moet hebben. Voor vergunningplichtige activiteiten dient de opdrachtgever dus alleen in zee te gaan met een vergunninghouder.

Een opgravingsvergunning is verplicht voor het verrichten van werkzaamheden met als doel het opsporen of onderzoeken van monumenten, waardoor verstoring van de bodem optreedt. Hieronder valt ook het uitvoeren van archeologisch (voor)onderzoek wanneer dat bodemverstorend of destructief is, zoals boren en het graven van proefsleuven. Het betreft de protocollen 4003 en 4004 van de KNA (zie hieronder). Voor de werkzaamheden die vallen onder protocol 4002 (bureauonderzoek) of andere protocollen is een vergunning niet verplicht.

Op de pagina Vergunninghouders en aangewezen bedrijven op de website van SIKB (www.sikb.nl – onderdeel Archeologie) kunt u zien welke bureaus beschikken over een vergunning.

KNA
De vergunninghouder moet zich houden aan de normen die in de archeologische beroepsgroep gelden voor het doen van opgravingen. Wanneer de vergunninghouder voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), dan gaat het ministerie van OCW er bij zijn vergunningverlening op basis van de Monumentenwet er van uit dat hij aan deze normen voldoet.

Archeologie: van beleid naar realisatie

Inleiding

Een gemeente heeft veel beleidsruimte om een eigen invulling te geven aan archeologische monumentenzorg. Daartoe zal een gemeente wel bekend moeten zijn met de aard, locaties en kwaliteit van de archeologische waarden binnen het gemeentelijke grondgebied. Een gemeente kan dat inzichtelijk maken met een archeologische waardenkaart. Een dergelijke kaart dient een betrouwbaar en gedetailleerd inzicht te geven in de aard en de ligging van archeologische waarden en verwachtingen. Door deze informatie visueel om te zetten in een archeologische beleidskaart kan praktisch toepasbaar worden gemaakt (en daarmee eenvoudiger actueel worden gehouden). Om het gemeentelijke beleid juridisch afdwingbaar te maken zal de gemeente dit moeten vertalen naar bestemmingsplannen.

Archeologische waardenkaart
Op de waardenkaart zijn gebieden/zones aangegeven waar, op grond van onderzoek, archeologische waarden (naar verwachting) aanwezig zijn. Deze kaart bevat de volgende informatie:

- de ligging, omvang en voor zover bekend, de aard (vindplaatstype en datering) van bekende archeologische vindplaatsen/resten onder het huidig maaiveld;

- de verwachte ligging, omvang en aard van nog niet eerder onderzochte archeologische vindplaatsen/resten onder huidig maaiveld (de zogenoemde archeologische verwachtingszones);

- de ligging van bovengrondse gemeentelijke, provinciale en rijksmonumenten.

Het doel van de waardenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht. De waardenkaart vormt de basis voor de archeologische beleidskaart.

Archeologische beleidskaart
Op deze kaart worden verschillende zones en terreinen aangegeven waar per zone verschillende eisen kunnen gelden. Hieronder is voor de verschillende zones, die over het algemeen worden onderscheiden, aangegeven welke eisen een gemeente daarvoor zou kunnen opnemen in zijn beleids(advies)kaart.

Zone met lage archeologische verwachting
Dit zijn globaal die gebieden waar op basis van de bodemgesteldheid en ligging ten opzichte van bekende of veronderstelde mogelijke bewoningszones geen archeologische resten worden verwacht, of waar deze (als ze er hebben bestaan) door vergravingen zijn vernietigd. Voor deze gebieden gelden geen restricties voor planvorming. Overigens is het nog steeds mogelijk dat archeologische resten gevonden worden. De trefkans is echter veel kleiner dan in de gebieden met een (middel)hoge verwachting. Aanvullend onderzoek wordt alleen noodzakelijk geacht indien er sprake is van grootschalige ontwikkelingen of ingrepen.

Zone met middelhoge verwachting
In zones met een middelhoge verwachting is de kans beperkt om intacte waardevolle archeologische resten aan te treffen. Bodemingrepen beneden een bepaalde diepte moeten worden voorkomen. Indien voorkomen niet mogelijk is dan moet in deze gebieden nader archeologisch onderzoek worden gedaan.

Zone met hoge archeologische verwachting
In gebieden met een hoge archeologische verwachting is de kans op het aantreffen van archeologische resten groot. Het betreffen gebieden waar de aanwezigheid van archeologische resten is aangetoond, onder meer door opgravingen, booronderzoeken en oppervlakte vondsten. Indien bodemingrepen beneden een bepaalde diepte onder maaiveld niet kunnen worden voorkomen, moet er nader archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

Bestemmingsplan
Om het archeologisch beleid juridisch afdwingbaar te maken dienen de waardenkaart en beleidskaart vertaald te worden naar bestemmingsplannen. De kaarten zullen gebaseerd zijn op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. De noodzaak om inventariserend onderzoek in de voorbereidingsfase uit te voeren, vloeit voort uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van dat artikel is het bestuursorgaan namelijk verplicht om bij de voorbereiding van een besluit (zoals een bestemmingsplan) de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het is verdedigbaar om te stellen dat dergelijke feitenvergaring alleen mogelijk is door het uitvoeren van archeologisch (voor)onderzoek. Dat hoeft niet per se nieuw onderzoek te zijn; het kan ook gaan om onderzoek dat eerder bij de gemeente voor vergunningaanvragen is ingediend of informatie die bijvoorbeeld via de RACM beschikbaar is.

Bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan heeft een gemeente te maken met artikel 38a van de Monumentenwet 1988. Op grond van dit artikel moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (zaken ouder dan vijftig jaar die vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde van algemeen belang zijn (art. 1, onderdeel b van de Monumentenwet 1988).

Inhoud bestemmingsplan
Afhankelijk van het ambitieniveau kunnen gemeenten in bestemmingsplannen op verschillende manieren rekening houden met archeologie. Overigens zal dat wel in overeenstemming moeten zijn met de uitgangspunten van het Verdrag van Malta waarin behoud en bescherming van het erfgoed centraal staan. Het “rekening houden met” mag dus niet resulteren in een bestemmingsplan dat haaks staat op deze uitgangspunten.

Op de plankaart geeft de gemeente het gebied of de gebieden met (zeer) (hoge) archeologische waarde aan. Dit kan via de aanduiding ‘Archeologisch waardevol gebied’. Deze aanduiding moet in de planvoorschriften bij de desbetreffende (dubbel)bestemming terugkomen. Bij de doeleindenomschrijving wordt dan vermeld dat de gronden mede zijn bestemd voor het behoud van archeologische waarden.

Archeologisch onderzoek verplicht
In een bestemmingsplan kan worden bepaald dat de aanvrager van een aanlegvergunning of een reguliere bouwvergunning een rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld (artikel 39 en 40 van de Monumentenwet 1988). De gemeente beoordeelt een ingediend archeologisch rapport en bepaalt of de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld. De te nemen vervolgstappen legt de gemeente vast in een ‘selectiebesluit’ dat kan inhouden dat:

- bij de voorgenomen werkzaamheden geen rekening hoeft te worden gehouden met archeologische waarden (bijvoorbeeld omdat deze er simpelweg niet zijn);

- het voorgenomen werk niet mag worden uitgevoerd (de vergunning voor de werkzaamheden wordt geweigerd);

- het uitvoeren van de werkzaamheden alleen mag plaatsvinden wanneer de uitvoerders zich houden aan bepaalde verplichtingen; deze verplichtingen worden dan opgenomen in voorschriften die aan de vergunning of ontheffing worden verboden.

Het ‘selectiebesluit’ is geen in de wet opgenomen besluit. Het is een in de archeologie gebruikelijke term die de motivatie aanduidt die in een ander besluit (bijvoorbeeld vaststellen bestemmingsplan of vergunning) is opgenomen. De kosten van het archeologisch onderzoek zijn voor rekening van de aanvrager. Dat is een uitvloeisel van het principe in de Monumentenwet dat de verstoorder betaalt.

Aanlegvergunning verplicht
Ook kan in het bestemmingsplan een aanlegvergunning verplicht worden gesteld voor bepaalde werken of werkzaamheden. De aanlegvergunning zorgt ervoor dat een terrein met archeologische waarden wordt beschermd. Bij “werken” gaat het niet om bouwwerken. Voor bouwwerken is namelijk al een reguliere bouwvergunning vereist. Bij werken kun je denken aan grondbewerkingen, heiwerkzaamheden, verhogen of verlagen van het waterpeil, aanleggen of rooien van bossen, aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van diepwortelende beplantingen. In het bestemmingsplan zal expliciet moeten worden aangegeven voor welke werken de aanlegvergunning verplicht is.

Voorschriften
In een bestemmingsplan kan een gemeente ook regelen dat aan reguliere bouwvergunningen en aanlegvergunningen voorschriften kunnen worden verbonden ter bescherming van archeologische waarden. De volgende voorschriften kunnen aan een vergunning, ontheffing of projectbesluit worden verbonden:

a. de verplichting om technische maatregelen te treffen waarmee monumenten in de bodem worden behouden;

b. de verplichting om opgravingen te doen;

c. de verplichting om de bodemverstorende activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg en die voldoet aan de kwalificaties die door burgemeester en wethouders in de vergunning zijn gesteld.

Als het gaat om ontheffingen van het bestemmingsplan of projectbesluiten dan hoeft dit niet in het bestemmingsplan geregeld te worden. Op grond van artikel 41, tweede lid kunnen degelijke voorschriften namelijk sowieso aan een ontheffing en projectbesluit worden verbonden.

Vrijstellingsgrenzen
Niet iedere ruimtelijke ontwikkeling is in eenzelfde orde en omvang potentieel bedreigend voor het archeologische erfgoed. Voor een gemeente is het dan ook belangrijk om tot een evenwichtig beleid voor het beheer van de archeologische waarden te komen. Daarbij zal zowel naar de grenzen van de diepte als van het oppervlak van de verstoring moeten worden gekeken. In de Monumentenwet 1988 is een ondergrens van 100 m2 aangegeven. Voor projecten met een omvang kleiner dan 100 m2 kan een gemeente geen archeologisch rapport verplicht stellen. Ook kan een gemeente met betrekking tot dergelijke projecten geen aanlegvergunning verplicht stellen en archeologische voorschriften verbinden aan vergunningen.

Gemeenten mogen overigens van de grens van 100 m2 afwijken. Die afwijking kan zowel naar boven als naar onder. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens.

Model bestemmingsplan
Op de website van SIKB kunt u modelvoorschriften vinden die gemeenten in hun bestemmingsplannen kunnen opnemen.

Paraplubestemmingsplan
Tot 1 juli 2009 kunnen gemeenten de archeologie voor het gehele  gemeentelijke grondgebied regelen met behulp van een paraplubestemmingsplan. Een paraplubestemmingsplan kan worden gezien als een plan dat als een paraplu over andere, reeds bestaande bestemmingsplannen heen hangt. Het plan bepaalt dan bijvoorbeeld dat de artikelen die betrekking hebben op archeologie van toepassing zijn op alle vigerende bestemmingsplannen, die zijn aangehaald in de bijlage bij het paraplubestemmingsplan.

Een voorwaarde is dat de onderliggende bestemmingsplannen nog geldig zijn. Een voor 1 juli 2009 vastgesteld paraplubestemmingsplan blijft dan tien jaar geldig. Als dit plan echter (mede) betrekking heeft op een bestemmingsplan dat vóór 1 juli 2003 is vastgesteld dan geldt het plan tot uiterlijk 1 juli 2013 (zie artikel 9.1.4 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening).