|
SIKB-Homepage / FAQ / FAQ Archeologie
Link naar de Syllabus Juridisch kader archeologie
Vraag 1: welke juridische aspecten zijn er met betrekking tot het verbieden van (laser)metaaldetectors? Antwoord: Wanneer het gebruik van metaaldetectoren leidt tot verstoringen van de bodem en daardoor mogelijke schade aan het archeologisch erfgoed zijn er juridisch gezien mogelijkheden om dit aan te pakken. Als er gericht wordt gegraven naar monumenten die er vermoedelijk in de bodem zitten (na signaal van metaaldetector) is er namelijk sprake van een opgraving (doel is opsporen monumenten en er vindt bodemverstoring plaats). Het doen van opgravingen zonder vergunning is verboden (artikel 45 Monumentenwet). Aangezien de minister (RACM) de opgravingsvergunningen verleent is het waarschijnlijk ook de minister die bevoegd is tot bestuursrechterlijke handhaving. De gemeente zelf heeft die mogelijkheid dus niet. Het is echter ook een strafbaar feit op grond van artikel 61 van de Monumentenwet. De politie kan hiervoor derhalve proces-verbaal opmaken. De maximale straf is een jaar gevangenisstraf. De gemeente zou met politie en Justitie afspraken kunnen maken over de opsporing en vervolging van de opgravers/schatzoekers. Een andere juridische mogelijkheid biedt artikel 54: degene die met de metaaldetector waarnemingen doet die van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg moet dat melden bij de minister van OCW (RACM). Ook hier staat de gemeente derhalve niet aan de lat. Het overtreden van dit artikel is bovendien niet strafbaar gesteld zodat de politie hier strafrechtelijk niet tegen kan optreden. Een derde mogelijkheid is dat de gemeente zelf een nieuw bestemmingsplan vaststelt en aan de betreffende locaties de dubbelbestemming ter bescherming en veiligstelling van archeologische monumenten geeft. In datzelfde bestemmingsplan kan de gemeente dan ook een aanlegvergunningenstelsel opnemen op grond waarvan het wordt verboden om werkzaamheden op deze locaties te verrichten zonder (aanleg)vergunning van BenW. De schatzoekers die vervolgens op deze locaties willen graven hebben daarvoor een aanlegvergunning nodig. Als ze zonder vergunning aan de slag gaan handelen ze in strijd met het bestemmingsplan en kan de gemeente zelf daar tegen optreden. Of deze juridische mogelijkheden echter ook benut kunnen worden valt te betwijfelen. Dat vergt namelijk continu surveillerende agenten of toezichthouders op de locaties en daar zal waarschijnlijk geen capaciteit voor zijn. Wat de gemeente wel kan doen is burgers erop wijzen dat deze activiteiten verboden zijn en dat zware bestraffing mogelijk is (jaar gevangenisstraf). Wellicht is dat voldoende afschrikwekkend. Vraag 2: als de gemeente een onderzoeksverplichting heeft opgelegd aan de verstoorder van de bodem (bijvoorbeeld de aanvrager van een ontheffing van het bestemmingsplan of een bouwvergunning), moet dan het hele plangebied waarop de aanvraag betrekking heeft onderzocht worden? Antwoord: In beginsel vindt onderzoek plaats op die gedeelten van het terrein die verstoord worden (zie artikel 39, tweede lid). Proefsleuvenonderzoek blijft dus bijvoorbeeld beperkt tot dat deel van het plangebied waar een huis wordt gebouwd. Om te voorkomen dat in de toekomst op andere gedeelten van het plangebied wordt gebouwd ten aanzien waarvan geen archeologische voorschriften kunnen worden gesteld (vegunningvrije of lichtvergunningplichtige bouwwerken), zou in het (postzegel)bestemmingsplan voor die andere gedeelten een absoluut bouwverbod kunnen worden opgenomen. Op het principe dat het onderzoek wordt beperkt tot de te verstoren delen van het terrein kan worden afgeweken indien dat nodig is om een betere archeologische afweging te maken. Deze afweging zou er dus toe kunnen leiden dat het beter is om het hele plangebied te onderzoeken. Uiteindelijk is het echter de gemeente die hierover een beslissing neemt. In artikel 39, tweede lid van de Monumentenwet is immers bepaald dat de archeologische waarde naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate moet zijn vastgesteld. Dus bij verschil van inzicht is het de gemeente die de knoop doorhakt. Vraag 3: kan de gemeente afwijken van de wettelijke vrijstellingsgrens van 100m2 wanneer de provincie het daar niet mee eens is? Antwoord: Het vaststellen van een bestemmingsplan met een afwijkende vrijstellingsgrens is een gemeentelijke bevoegdheid (artikel 41a Monumentenwet). De provincie kan zijn zienswijze geven op het ontwerp bestemmingsplan maar de gemeente hoeft deze zienswijze niet te volgen. De gemeente kan er dus (gemotiveerd) van afwijken. Vraag 4: kunnen aan sloopvergunningen voorschriften worden verbonden in het belang van de archeologische monumentenzorg? Antwoord: Uit artikel 37 van de Monumentenwet vloeit voort dat alleen aan sloopvergunningen die betrekking hebben op bouwwerken in beschermende stads- of dorpsgezichten archeologische voorschriften kunnen worden gekoppeld. En alleen van de aanvrager van zo'n vergunning kan een archeologisch rapport worden verlangd. Buiten beschermde stads- of dorpsgezichten kunnen dus geen voorschriften in het belang van de archeologie worden gekoppeld aan sloopvergunningen en kan van de aanvrager van zo'n vergunning geen archeologisch rapport worden gevraagd. Ook kunnen gemeenten niet in een bestemmingsplannen regelen dat een aanvrager van een sloopvergunning een archeologisch rapport moet overleggen. Idem voor het verbinden van voorschriften aan zodanige vergunningen. In situaties waarbij na de sloop wordt gebouwd zou een archeologisch rapport wel van de aanvrager van de bouwvergunning kunnen worden verlangd. Ook zouden aan de bouwvergunning archeologische voorschriften kunnen worden verbonden. Deze mogelijkheden bestaan echter alleen wanneer dat in het bestemmingsplan is geregeld. Als een gemeente niet in het bestemmingsplan heeft geregeld dat de aanvrager van een bouwvergunning een onderzoeksrapport moet overleggen en dat aan zo’n vergunning archeologische voorschriften kunnen worden verbonden dan kan dat alleen bij ontheffingen van het bestemmingsplan of projectbesluiten. Vraag 5: wie wordt eigenaar van de zaken die tijdens opgravingen worden gevonden? Antwoord: In artikel 50 van de Monumentenwet is bepaald wie eigenaar wordt van de roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen. Dat is in principe de provincie waar zij zijn gevonden. Wanneer de gemeente echter een eigen depot heeft, wordt de gemeente eigenaar. Artikel 50 Monumentenwet is een bijzondere regeling die voor gaat op de algemene regeling in artikel 13 van boek 5 van het Burgerlijk wetboek. Als er nog iemand is die zijn eigendom van de roerende monumenten kan bewijzen dan wordt deze eigenaar. De woorden ‘en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen’ hebben dus betrekking op de eigenaar van de monumenten en niet op de eigenaar van de grond waarin die monumenten zijn gevonden. Zie ook artikel 13 van boek 5 van het BW waarin wordt gesproken van een zaak van waarde die zolang verborgen is geweest dat daardoor de eigenaar niet meer kan worden opgespoord. Als het gaat om toevalsvondsten (dus geen vondsten bij opgravingen) dan verkrijgen de vinder en de eigenaar van de grond de gezamenlijke eigendom. Dat vloeit voort uit artikel 13 van boek 5 van het BW. Wat is Erkennen van Verworven Competenties (EVC)? Wat moet ik als gemeente doen als een projectontwikkelaar het niet eens is met het programma van eisen en een second opinion vraagt? Uitgangspunt van de wet is dat het bevoegd gezag (burgemeester en wethouders) het oordeel vellen over uitgevoerd en nog uit te voeren archeologisch onderzoek en opgravingen. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in artikel 38 van de Monumentenwet 1988 waarin is bepaald dat bij verordening kan worden geregeld dat b en w eisen kunnen stellen aan onderzoek in het kader van opgravingen. En op grond van artikel 39, tweede lid, 40, eerste lid en 41, eerste lid van de Monumentenwet 1988 dienen b en w te bepalen of de archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord met een onderzoeksrapport in voldoende mate is vastgesteld. Een gemeente kan een projectontwikkelaar dus gerust toestaan dat hij een second opinion vraagt. Uiteindelijk is het echter de gemeente die een oordeel velt over het onderzoeksrapport en het (alternatieve) programma van eisen dat in opdracht van de projectontwikkelaar is opgesteld. Hoe stel ik een programma van eisen op? Conform protocol 4001 dient een programma van eisen opgesteld te worden door een senior KNA-archeoloog. Dit geschiedt aan de hand van het in dit protocol beschreven proces. Belangrijke onderdelen zijn: het uitvoeren van bureauonderzoek, formuleren van vraagstellingen (wat moet er worden onderzocht en hoe?) en het bepalen van randvoorwaarden en eisen. Het programma van eisen wordt vastgesteld door het bevoegd gezag. Wat is een selectiebesluit en wat is de juridische status? De term “selectiebesluit” komt in de wet- en regelgeving niet voor. Feitelijk is het een besluit van het bevoegd gezag naar aanleiding van een ingediend archeologisch rapport en bijbehorende selectieadvies. Dit besluit kan inhouden dat: - bij de voorgenomen werkzaamheden geen rekening hoeft te worden gehouden met archeologische waarden (bijvoorbeeld omdat deze er simpelweg niet zijn); - het voorgenomen werk niet mag worden uitgevoerd (de vergunning voor de werkzaamheden wordt geweigerd); - het uitvoeren van de werkzaamheden alleen mag plaatsvinden wanneer de uitvoerders zich houden aan bepaalde verplichtingen; deze verplichtingen worden dan opgenomen in voorschriften die aan de vergunning of ontheffing worden verboden. Een selectiebesluit heeft alleen juridische betekenis wanneer het is genomen op grond van een wettelijke bevoegdheid, zoals de bevoegdheid om aan een vergunning voorschriften te verbinden of om een vergunning te verlenen of te weigeren. Hoe leg ik archeologische voorschriften vast in een bestemmingsplan (modelvoorschriften)? In de Monumentenwet 1988 is aangegeven welke instrumenten geregeld kunnen worden in het bestemmingsplan. Van de aanvrager om een aanleg- of bouwvergunning kan bijvoorbeeld een archeologisch rapport worden verlangd. En aan dergelijke vergunningen kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van archeologische waarden. Hier zijn modelvoorschriften weergegeven die een gemeente kan opnemen in zijn bestemmingsplan(nen). Moet een vergunning- / ontheffinghouder altijd opdraaien voor de kosten van (nader) archeologisch onderzoek of een opgraving? De wet is gebaseerd op het principe dat de verstoorder betaalt. Indien een vergunning of ontheffing echter ongeclausuleerd is verleend kan de houder daarvan later niet aansprakelijk worden gesteld indien zich de situatie voordoet dat tijdens de door hem ondernomen (toegestane) activiteiten een archeologisch monument wordt gevonden. Dat zou namelijk strijdig zijn met het rechtszekerheidsbeginsel: de vergunning/ontheffinghouder mag erop vertrouwen dat hij de bodem zonder verdere verplichtingen mag verstoren. Als een gemeente de verstoorder wel wil laten opdraaien voor de kosten zal de gemeente tijdens de vergunningverlening zeer zorgvuldig moeten zijn: goede eisen stellen aan het archeologisch onderzoek en de juiste voorschriften verbinden aan de vergunning. Wie draait op voor de kosten van archeologisch onderzoek en opgravingen bij toevalsvondsten? Dat is wettelijk niet geregeld. Betrokken partijen (rijk, gemeente, vinder) zullen daar derhalve in goed onderling overleg uit moeten komen. Het principe dat de verstoorder betaald is hier niet van toepassing. Mag een gemeente om niet-archeologische redenen afzien van het opleggen van een onderzoeksverplichting? Dat hangt af van wat daarover is geregeld in het bestemmingsplan. Als in het bestemmingsplan voor bepaalde situaties onderzoek verplicht is gesteld en daar geen uitzonderingen voor zijn opgenomen, dan is het niet mogelijk om in individuele gevallen daarvan af te wijken. Inleiding Dit kan verschillende vragen oproepen: - Kan de gemeente mij wel dergelijke verplichtingen opleggen? - Draai ik ook op voor de kosten? - Welke bureaus kan ik inschakelen voor archeologisch onderzoek en het verrichten van opgravingen? Deze vragen komen aan de orde in deze factsheet. Doel is om u bij deze eerste vragen op weg te helpen. Aan deze factsheet kunnen geen rechten worden ontleend. Bevoegdheden gemeente Archeologisch onderzoek Ook wanneer u een aanvraag om een aanleg- of een bouwvergunning heeft ingediend kan de gemeente een archeologisch onderzoek verlangen. Dat is echter alleen mogelijk indien dat in het betreffende bestemmingsplan is geregeld. Bovendien geldt ook hier dat de gemeente het verzoek moet motiveren. Aanlegvergunning verplicht De aanlegvergunning zorgt ervoor dat een terrein met archeologische waarden wordt beschermd. Bij “werken” gaat het niet om bouwwerken. Voor bouwwerken is namelijk al een reguliere bouwvergunning vereist. Bij werken kun je denken aan grondbewerkingen, heiwerkzaamheden, verhogen of verlagen van het waterpeil, aanleggen of rooien van bossen, aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van diepwortelende beplantingen. In het bestemmingsplan zal expliciet moeten zijn aangegeven voor welke werken de aanlegvergunning verplicht is. Voorschriften te verbinden aan een vergunning, ontheffing of projectbesluit De volgende voorschriften kunnen aan een vergunning, ontheffing of projectbesluit worden verbonden: a. de verplichting om technische maatregelen te treffen waarmee monumenten in de bodem worden behouden; b. de verplichting om opgravingen te doen; c. de verplichting om de bodemverstorende activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg en die voldoet aan de kwalificaties die door burgemeester en wethouders in de vergunning zijn gesteld. Kosten Welk bureau kan ik inschakelen? - Welk bureau kan ik inschakelen voor onderzoek en/of opgravingen? - Welke eisen kan ik stellen? - Hoe vraag en beoordeel ik offertes? - Hoe draag ik zorg voor het bewaken van de kosten? - Op welke wijze controleer ik de uitvoering en toets ik de eindrapportage? De antwoorden op deze vragen kunt u vinden in de verschillende handreikingen en brochures van SIKB die u van de website kunt downloaden (www.sikb.nl – onderdeel Archeologie – Handreikingen overheid en opdrachtgever). Hierna wordt alleen dieper ingegaan op de eerste vraag: welk bureau kan ik inschakelen? Of te wel: wat moet ik als opdrachtgever weten over archeologische bureaus? Opdrachtnemer moet voor bepaalde activiteiten een vergunning hebben Een opgravingsvergunning is verplicht voor het verrichten van werkzaamheden met als doel het opsporen of onderzoeken van monumenten, waardoor verstoring van de bodem optreedt. Hieronder valt ook het uitvoeren van archeologisch (voor)onderzoek wanneer dat bodemverstorend of destructief is, zoals boren en het graven van proefsleuven. Het betreft de protocollen 4003 en 4004 van de KNA (zie hieronder). Voor de werkzaamheden die vallen onder protocol 4002 (bureauonderzoek) of andere protocollen is een vergunning niet verplicht. Op de pagina Vergunninghouders en aangewezen bedrijven op de website van SIKB (www.sikb.nl – onderdeel Archeologie) kunt u zien welke bureaus beschikken over een vergunning. KNA Inleiding Een gemeente heeft veel beleidsruimte om een eigen invulling te geven aan archeologische monumentenzorg. Daartoe zal een gemeente wel bekend moeten zijn met de aard, locaties en kwaliteit van de archeologische waarden binnen het gemeentelijke grondgebied. Een gemeente kan dat inzichtelijk maken met een archeologische waardenkaart. Een dergelijke kaart dient een betrouwbaar en gedetailleerd inzicht te geven in de aard en de ligging van archeologische waarden en verwachtingen. Door deze informatie visueel om te zetten in een archeologische beleidskaart kan praktisch toepasbaar worden gemaakt (en daarmee eenvoudiger actueel worden gehouden). Om het gemeentelijke beleid juridisch afdwingbaar te maken zal de gemeente dit moeten vertalen naar bestemmingsplannen. Archeologische waardenkaart - de ligging, omvang en voor zover bekend, de aard (vindplaatstype en datering) van bekende archeologische vindplaatsen/resten onder het huidig maaiveld; - de verwachte ligging, omvang en aard van nog niet eerder onderzochte archeologische vindplaatsen/resten onder huidig maaiveld (de zogenoemde archeologische verwachtingszones); - de ligging van bovengrondse gemeentelijke, provinciale en rijksmonumenten. Het doel van de waardenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht. De waardenkaart vormt de basis voor de archeologische beleidskaart. Archeologische beleidskaart Zone met lage archeologische verwachting Zone met middelhoge verwachting Zone met hoge archeologische verwachting Bestemmingsplan Bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan heeft een gemeente te maken met artikel 38a van de Monumentenwet 1988. Op grond van dit artikel moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (zaken ouder dan vijftig jaar die vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde van algemeen belang zijn (art. 1, onderdeel b van de Monumentenwet 1988). Inhoud bestemmingsplan Op de plankaart geeft de gemeente het gebied of de gebieden met (zeer) (hoge) archeologische waarde aan. Dit kan via de aanduiding ‘Archeologisch waardevol gebied’. Deze aanduiding moet in de planvoorschriften bij de desbetreffende (dubbel)bestemming terugkomen. Bij de doeleindenomschrijving wordt dan vermeld dat de gronden mede zijn bestemd voor het behoud van archeologische waarden. Archeologisch onderzoek verplicht - bij de voorgenomen werkzaamheden geen rekening hoeft te worden gehouden met archeologische waarden (bijvoorbeeld omdat deze er simpelweg niet zijn); - het voorgenomen werk niet mag worden uitgevoerd (de vergunning voor de werkzaamheden wordt geweigerd); - het uitvoeren van de werkzaamheden alleen mag plaatsvinden wanneer de uitvoerders zich houden aan bepaalde verplichtingen; deze verplichtingen worden dan opgenomen in voorschriften die aan de vergunning of ontheffing worden verboden. Het ‘selectiebesluit’ is geen in de wet opgenomen besluit. Het is een in de archeologie gebruikelijke term die de motivatie aanduidt die in een ander besluit (bijvoorbeeld vaststellen bestemmingsplan of vergunning) is opgenomen. De kosten van het archeologisch onderzoek zijn voor rekening van de aanvrager. Dat is een uitvloeisel van het principe in de Monumentenwet dat de verstoorder betaalt. Aanlegvergunning verplicht Voorschriften a. de verplichting om technische maatregelen te treffen waarmee monumenten in de bodem worden behouden; b. de verplichting om opgravingen te doen; c. de verplichting om de bodemverstorende activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg en die voldoet aan de kwalificaties die door burgemeester en wethouders in de vergunning zijn gesteld. Als het gaat om ontheffingen van het bestemmingsplan of projectbesluiten dan hoeft dit niet in het bestemmingsplan geregeld te worden. Op grond van artikel 41, tweede lid kunnen degelijke voorschriften namelijk sowieso aan een ontheffing en projectbesluit worden verbonden. Vrijstellingsgrenzen Gemeenten mogen overigens van de grens van 100 m2 afwijken. Die afwijking kan zowel naar boven als naar onder. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens. Model bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan Een voorwaarde is dat de onderliggende bestemmingsplannen nog geldig zijn. Een voor 1 juli 2009 vastgesteld paraplubestemmingsplan blijft dan tien jaar geldig. Als dit plan echter (mede) betrekking heeft op een bestemmingsplan dat vóór 1 juli 2003 is vastgesteld dan geldt het plan tot uiterlijk 1 juli 2013 (zie artikel 9.1.4 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening). |

