Zoeken in sites van Expertisenetwerk Bodem en Ondergrond

Kalibratiebijeenkomst baggervolumepalingen 'Ervaring is cruciaal'

Ervaringen opdoen en ervaringen uitwisselen, dat is de kern van het vakmanschap om een baggervolume te bepalen.

Ervaringen opdoen en ervaringen uitwisselen, dat is de kern van het vakmanschap om een baggervolume te bepalen. ‘Het vak is vooral het gevoel, en dat kun je alleen zelf, in de praktijk, leren’, aldus één van de ruim 40 deelnemers aan de door SIKB verzorgde kennisbijeenkomst Baggervolumebepalingen, op 14 april 2016.

Het inmeten van het baggervolume in een en dezelfde watergang kan tot verschillende uitkomsten leiden. Dat wordt vooral veroorzaakt door de exacte werkwijze van de metende partij en diens interpretatie van de opdracht, de situatie in het veld en de gegevens. De kennisbijeenkomst van SIKB had tot doel het met elkaar in lijn brengen, ofwel ‘kalibreren’, van de wijze waarop metingen door verschillende mensen en organisaties worden uitgevoerd. Aan de bijeenkomst namen vooral medewerkers van adviesbureaus deel, naast een aantal medewerkers van waterschappen en een enkeling die werkzaam was bij een aannemersbedrijf.

Techniek versus handwerk
Hoezeer het delen van ervaringen en kennis zinvol is, bleek onder meer uit de presentatie van de resultaten van het ‘Validatieonderzoek baggervolumebepaling’ door Géjus Ruiter van Tijhuis Ingenieurs. Aan dit validatieonderzoek hadden op vier verschillende locaties vijf bureaus meegewerkt en waren er drie verschillende technieken toegepast. Ruiter constateerde onder meer dat wanneer gewerkt wordt met handmatige technieken, de werkwijze van de meetploegen verschilt, dat het meten van de onderkant met een peilstok bij een harde bodem goed is te doen, maar bij een zachte bodem dat lastig is en dat de ervaringen met het gebruik van een multisampler of zuigerboor voor verificatieboringen nogal wisselende resultaten biedt.
Wanneer elektronische technieken worden ingezet, blijken multibeam en grondradar goede resultaten te bieden. Dat geldt ook voor het werken met sonarbootjes, al blijken deze gevoelig voor storingen en fysieke hindernissen, waaronder een beperkt bereik tot aan de oevers en verschillende beperkingen ten aanzien van het meten van de waterdiepte en –breedte. Het relaas van Tijhuis leidde onder andere tot veel discussie over het meten met GPS, dat veelal tot extra afwijkingen leidt. De GPS-signalen fluctueren door de dag heen, wat dwingt tot goede controle van de gegevens, naast het feit dat het ijken van het apparaat cruciaal is.


Het werken met GPS leidde ook na de inleiding van Hans Hussem van Hussem Consultancy en Andrew Devlin van Delta Marking tot veel discussie. ‘Een GPS-RTK ontvanger kan eigenlijk helemaal geen NAP hoogtes meten’, was een van hun stellingen. Want, stelden zij vast, ‘1) GPS/Glonass/Gallileo maken gebruik van een wereldwijd (vereenvoudigd) model van de zwaartekracht, 2) dit model is totaal niet gelijk aan het NAP vlak in Nederland en 3) er worden omrekeningen gebruikt die restfouten hebben’. Ook stelden de heren dat ‘RTK-GPS bijna altijd heel precies, maar vaak niet nauwkeurig is’. Deze stelling zegt op zichzelf, zonder op de inhoud ervan in te gaan, veel over het niveau van de bijeenkomst.


Waaruit bestaat een goed profiel?

Huib Overmars van RPS betoogde in zijn inleiding dat een goed profiel uit minimaal zeven punten bestaat. ‘Een goed fundament voor een baggervolumebepaling’, aldus Overmars, ‘kan alleen gelegd worden door de omgeving en het watersysteem in kaart te brengen. Door aan te geven waar de afwijkingen zijn en waar de dwarsprofielen het beste geplaatst kunnen worden. Protocollen en instructies zijn hierbij een hulpmiddel. Maar baggervolumes worden buiten bepaald’. En dan kan het snel fout gaan, liet hij vervolgens zien. Schrijft de richtlijn bij een watergang van minder dan vijf meter, meetpunten om de halve meter voor, bij een hele smalle watergang gaat fout. Daarom minimaal zeven punten, benadrukte hij, wat echter tot veel discussie met de zaal leidde. ‘Want hoe ver ga je?’ werd als vraag opgeworpen. Bij elk profiel moet ook opnieuw het waterpeil worden vastgesteld, dat onderhevig is aan windinvloeden en bijvoorbeeld de nabijheid van dammen, stuwen en duikers. Het bracht Overmars tot de uitspraak over de illusie van nauwkeurigheid. ‘Je bent zo nauwkeurig als je minst nauwkeurige meting’.

De vierde inleider, Willem Nell, veldwerker bij Tauw, betrok de deelnemers bij een aantal nuanceverschillen. ‘Hoe ga jij om met laagovergangen, onderwaterbeschoeiing, grillige oevers (rietkragen) en de nauwkeurigheid van dwarsprofielen’ wilde hij weten. En hij poneerde onder meer de stelling: ‘Als er sprake is van een onderwaterbeschoeiing, dan moeten we onze peilstrategie hierop aanpassen. Een peiling vlak voor en vlak na de oeverbeschoeiing is de oplossing. Dit geeft a) een betere weergave van de werkelijkheid en b) het volume bagger kan nauwkeuriger worden bepaald.’


De kennisbijeenkomst werd ingeleid en afgesloten door Guido Ritskes van SIKB. Bij de inleiding presenteerde hij de nieuwe video over het kalibreren van baggervolumes (zie ook https://www.youtube.com/watch?v=FyB4LXQO_-s&feature=youtu.be). Tijdens de afsluiting constateerde hij dat Richtlijnen nodig zijn, maar zonder eigen ervaring en gevoel niet goed zijn toe te passen. En, citeerde hij een van de aanwezigen eerder die middag, ‘met elkaar blijven praten, met name over al datgene dat buiten de theorie valt. Instrumenten alleen zijn niet afdoende toereikend, het komt altijd aan op interpretatie’. Daarom ook veel bijval uit de zaal bij de suggestie van Ritskes om meer van dit soort kennisbijeenkomsten te organiseren.